Programma 25 en 26 september 2020

Quand ce beau printemps je voy

een nieuwe lente van madrigalen en chansons

In de 16de eeuw reisden componisten uit de Nederlanden door heel West-Europa. Vooral in de zuidelijke landen maakten ze furore met hun meerstemmige liederen, die in Italië madrigalen werden genoemd en in Frankrijk chansons: beeldende toonzettingen van anonieme liefdespoëzie en gedichten van beroemde tijdgenoten als Charles d’Orléans, Pierre de Ronsard en Michelangelo Buonarroti.

Madrigaal en chanson raakten uit de mode, om eind 19de eeuw te worden herontdekt – eerst in Frankrijk, al snel ook in de rest van Europa. Gabriel Fauré en Claude Debussy schreven rond de eeuwwisseling kleine meesterwerken in het genre, de Pools-Franse Alexandre Tansman volgde in hun voetsporen, evenals de Nederlanders Hendrik Andriessen, Henk Badings en Rudolf Escher. Zo kwam er een ware renaissance op gang, die voortduurt tot op de dag van vandaag.

Met Quand ce beau printemps je voy brengt Kamerkoor Ad Libitum een ode aan de wedergeboorte van het madrigaal: een nieuwe lente van een genre dat eeuwen overbrugt en lands- en taalgrenzen doet vervagen in de beste Europese traditie. Een bijzondere plek op het programma heeft Da un madrigale di Michelangelo van Maarten Surtel. Geschreven in 2019 beleeft het in dit programma in september 2020 zijn wereldpremière.

 

Fauré Madrigal (1883)

Tansman Credo perch’ancor forse (uit: Trois madrigaux de Michel-Ange, 1952)

Andriessen Tre canzoni (1958)

Tansman Gli occhi mie vaghi delle cose belle (uit: Trois madrigaux de Michel-Ange)

Surtel Da un madrigale de Michelangelo (2019, wereldpremière)

Escher Chanson (uit: Ciel, air et vents, 1957)

Debussy Trois chansons de Charles d’Orléans (1898/1908)

Vaute Chanson (1968)

Badings Soir d’été (uit: Trois chansons bretonnes, 1946)